Oud Drimmelen

        Uit het archief
Kerkelijk Oud-Drimmelen.

 

In de burgerlijke gemeente Drimmelen neemt de buurtschap Oud-Drimmelen een speciale positie in, omdat het kerkelijk (Protestants) een beetje vreemd is ingedeeld. De kerkelijke grenzen lopen hier merkwaardig. De Protestanten die wonen in deze buurtschap behoren niet tot de Protestantse Gemeente Drimmelen maar tot de Hervormde Gemeente van Made en Ouddrimmelen. Dit geldt weer niet voor de bewoners aan de Buitendijk (vroeger de buurtschap Oud-Drimmelen aan de dijk geheten); zij behoren weer tot de Protestantse gemeente Drimmelen.

 

Deze merkwaardige situatie is niet altijd zo geweest. Oud-Drimmelen was het moederdorp van het huidige Drimmelen en daar stond ook de dorpskerk (thans het kerkhof). Oud-Drimmelen, Drimmelen en Standhazen vormden samen één kerkelijk gemeente, die ontstaan is tijdens de reformatie aan het einde van de 16e eeuw.

Voor de Reformatie behoorde Made kerkelijk gezien bij Geertruidenberg. Wel was er een bijkerk. Pas in 1518 stond Paus Leo X in een bul toe dat Made een eigen parochie zou worden. Drimmelen was reeds rond 1285 al een zelfstandige parochie.

Het is niet duidelijk in welke plaats “de gezuiverde de Evangelieleer” het eerst gepredikt werd. Twee namen van predikanten, die te Oud-Drimmelen en Made gepreekt zouden hebben, zijn; Gillis van Couwenberg 1580 – 1590 en Laurentius Baltheus van den Berg 1590-1607. Het waren allebei gewezen priesters, die ook nog eens gehuwd waren.

Bij het ingaan van het Twaalfjarig Bestand in 1609 kreeg de Classis Dordrecht meer grip op deze streek. Besloten werd dat Drimmelen en Made gecombineerd zouden worden. De eerste gezamenlijke predikant was Lothus Jansz. van Ilpendam. Hij werd door de Prins van Oranje in 1610 benoemd, bevestigd in de kerk te Made op 12 april door de predikant uit Geertruidenberg. Hij kreeg de beschikking over een woning naast de kerk te Made.

Na de dood van ds. Samuel Pistorius in 1674 werd combinatie opgeheven. Ds. Pistorius had tijdens zijn leven geklaagd bij de heren van de Classis te Dordrecht dat het hem zo slecht gelukte de Madenaren te bekeren tot de “ware Gereformeerde religie”. Zijn pogingen daartoe werden bemoeilijkt door “het incruypen van seker paap in zijne plaats tot voortzetting des pausdoms”. Waarschijnlijk is dat de reden geweest dat de Classis besloot de combinatie op te heffen, opdat Drimmelen en Made elk afzonderlijk een predikant zouden krijgen.

Drimmelen kreeg in 1675 ds. Joachimus Sessincx als predikant, die dan ook in Oud-Drimmelen gewoond heeft.

 

De gemeente van Made geraakte door haar ge­ringe omvang in geldnood. Aan de consulent, de Zwaluw­se dominee Johannes Sylvius werd in april 1682 gevraagd de prins om een verhoging van het traktement te vragen of toestemming in een combinatie met Drimmelen. De Kerkraad van Drimmelen was hier allerminst geluk­kig mee en in juni 1682 verzocht zij de Classis om de aanstaande combinatie niet door te laten gaan. Het ver­zet van Drimmelen mocht niet baten. Frederik Hendrik gaf op 1 september 1682 toestemming tot de combinatie. Deze toestemming was nodig omdat de prins het recht van collatie(= benoemingsrecht) had van de 2 kerken.

De Kerkraad van Made bracht daarop een beroep op de Drimmelense predikant Sessincx. Onzeker is het of de predikant toen in Oud Drimmelen is blijven wonen. Over zijn opvolger ds. Jacobus Rhijnvis wordt verteld dat deze na de brand van Oud Drimmelen in mei 1730 naar Made zou zijn verhuisd. Bewijzen hiervoor ontbreken. In dat zelfde jaar 1730 behandelde de Classis de klacht van Drimmelen  dat ds. Rhijnvis nalatig was in het bedienen van Drimmelen. De classis oordeelde dat dit te wijten was aan de zwakheid van de predikant en dat Drimmelen niet wilde meewerken aan het behulpzaam zijn bij het zoeken naar rust. Kort daarop werd door de combinatie gevraagd tot aanstelling van een adjunct predikant.

 

In juni 1731 ging ds. Rhijnvis met emeritaat.

Tijdens de daarop volgende predikanten werd de band tussen Drimmelen en Made meer en meer versterkt. Er werden duidelijke afspraken gemaakt over gezamenlijk Avondmaalsvieringen en voor bereidingen daarop. Kon de Dominee niet haar Oud Drimmelen komen om te dopen of te (onder)trouwen, dan kwamen de Drimmelenaren naar Made. Moest de predikant in Oud-Drimmelen preken, dan gebeur­de het ook wel andersom.

Tijdens de Restauratie van de Madese kerk gingen de Madenaren ter kerke in Oud Drimmelen, waar ook voor de diaconie van Made gecollecteerd werd.

 

Tijdens de combinatie vond de bevestiging van predikanten waarschijnlijk beurtelings te Made en te Oud-Drimmelen plaats.

Na de dood van ds. van Hardeveldt weet Drimmelen gedaan te krijgen, dat de nieuw te beroepen predikant en zijn opvolgers te Drimmelen zullen wonen in de nieuwe pastorie. Het was ds. Giltay die deze pastorie als eerste bewoonde. Drimmelen was in die tijd een flinke gemeente in tegenstelling tot die van Made.

 

In 1850 telde de kerkelijke gemeente te Made slechts 48 zielen te weten Huybertje Broeren (4 personen), Johannes Overduin (6), Adrianus Mutsaard (6), Willem Dubbelman (1), Trijntje Sprangers, weduwe van Cornelis Laurensz Musterd (2), Johannes Henricus de Zoete (2), Arien Vel (7), Neeltje van Oort (2), Florus Ernestus de Zoete (4), Roelof Dijkstra (6), Geertruida Stromenkel (4) en Jacob Musterd (4).

In 1858 waren er 60 zielen. Drimmelen had in die tijd 400 zielen.

 

Op 15-2-1858 kwamen de beide kerkraden en kerk­voogdijen in een speciale vergadering bijeen om iets te doen aan het gemeentewerk in Made, wat op een laag pitje stond. De aanwezigen: C. Hagers, H. Stal, J.A. Stal, N.H. Hagers, A. Dubbelman, H. den Dunnen, C. Stal, W. Stal, J.H. de Zoete jr. A. van Drimmelen, A. van der Sluijs, ds. Roëll, N.H. de Zoete, N. Hagers, W. Verdonk, R. Dijkstra en Jhr. van Suchtelen, besloten een verzoek aan de Koning te richten waarin om opheffing van de com­binatie gevraagd werd. Als motivatie voor opheffing gaven zij:

Voor de Reformatie was Made tot 1518 een onderdeel van de parochie van Geertruidenberg terwijl Drimmelen steeds een eigen kerk had.

De noodzaak van een eigen predikant in Made als gevolg van de uitbrei­ding van het Rooms-katholicisme in Made. (Blijkbaar was er sinds 1682 niet veel veranderd. Ook toen klonken dergelijke geluiden.)

Aan de Koning werd voorgesteld het Rijkstraktement voor de predikant ( ƒ 800, -) gelijk tussen Made en Drim­melen te verdelen. De kerkvoogdij te Drimmelen zou uit eigen middelen ƒ 200,- bijleggen. Samen met een extra toelage van het Rijk van ƒ 200, – zou het traktement voor de predikant van Drimmelen weer f 800, – worden.

Het traktement te Made zou f 600,- worden, doordat de kerkvoogdij uit Made uit eigen middelen f 100,- wilde bijpassen en van het Rijk een extra toelage van f 100,­diende te komen.

 

Heel vreemd is het dat de Madese kerkvoogd J.H. de Zoete en de Madese ouderling N.H. de Zoete tegen het verzoekschrift waren. Blijkbaar voorzagen zij grote problemen voor een zelfstandig Made.

 

De Kerkraad van Drimmelen richtte in 1859 een apart verzoek aan de Minister voor Zaken van de Hervormde Eredienst om opheffing van de combinatie. Als motivatie werd gegeven: De verdrukking van de gemeente te Made door de R.K. meerderheid en de nadelen die Drimmelen ondervond bij de herderlijk zorg van de predikant aan de gemeente te Made.

In afwachting van een positieve uitspraak van de. Koning en de minister besloten de optimistisch gestelde kerkraden en kerkvoogdijen een lijst samen te stellen van mogelijke kandidaten voor de 2 vacatures. (ds. J.W.D. Roëll had een beroep naar Terheijden aangenomen) Er werd be­sloten, dat alle kandidaten zowel in Drimmelen als ook te Made moesten preken. De preken dienden ook verschillend te zijn.

Enkele weken later begon de Classis Breda zich met de zaken te bemoeien en weldra begonnen de moeilijkheden pas goed. De Classis vond Made veel te klein om zelfstandig te worden en achtte het noodzakelijk dat Oud-Drimmelen (36 zielen) bij Made gevoegd zou worden.

De Kerkraad van Drimmelen werd om haar mening hier­over gevraagd. Zij besloot het aan de bevolking zelf te gaan vragen middels een commissie bestaande uit ouderling Adriaan van der Sluijs en diaken Willem Stal. Na bezoek aan de bevolking rapporteerden zij op 8 sep­tember 1859, dat Oud-Drimmelen bij Drimmelen wilde blijven. De bevolking aldaar gaf als reden op, dat Oud-Drimmelen de oorsprong is van de Hervormde Gemeente van Drimmelen en de aanwezigheid van het kerkhof op Oud-Drimmelen.

Op 7 november 1859 kwamen de kerkraden en kerk­voogdijen nogmaals bij elkaar. Bovendien waren de mansledematen van Oud-Drimmelen aanwezig. Of er vanuit Made druk op hen is uitgeoefend, ik weet het niet, maar tijdens deze vergadering bleek wel dat de bevolking van Oud-Drimmelen van mening was veranderd; ze wilde bij Made gevoegd worden. Enkel Hendrik Spuijbroek was tegen de samenvoeging met Made. De andere mansledematen:

Dirk de Bas, Willem van Diemen, Bastiaan Mustert en Dennis Mustert deden afstand van alle rechten, die zij op de kerk te Drimmelen hadden

Op 11 oktober 1859 werd de combinatie met Made bij Koninklijk Besluit opgeheven en op 20 januari 1860 werd eveneens bij Koninklijk Besluit Oud-Drimmelen bij Made gevoegd. De Kerkraad van Drimmelen schrapte de volgende lidmaten van Oud-Drimmelen uit haar lidmatenboek:

Bastiaan Beversluijs,

Jacoba Weland, echtgenote van B. Beversluijs.

Elisabeth Snaphaan, moeder v. B. Beversluijs.

Dingeman Mustert,

Bastiana Beversluijs, echtgenote v. D. Mustert.

Hendrik Spuijbroek

Johanna Beversluijs, echtgenote van H. Spuijbroek

Jan Mijberg ( in 1859 uit H. Zwaluwe gekomen)

Helena van Hofwegen, echtgenote v. J. Mijberg

Willem van Diemen

Pieternella Weland, echtgenote v. W. v. Diemen

Dirk de Bas, weduwnaar van Maria van Geurs

Adriana van Geurs, echtgenote van D. de Bas.

Gerrit de Bas, zoon van Dirk de Bas.

Dennis Mustert

Margaretha de Bas, echtgenote van D. Mustert.

 

(De hierboven genoemde Dirk de Bas was op 20 september 1838 tot voorlezer – voorzanger be­noemd in de kerk te Made)

 

Bovengenoemde Oud-Drimmelenaren wilden nog wel hun stoel in de kerk van Drimmelen behouden, maar de kerkvoogdij wees er op dat er afstand gedaan was van alle vermeende rechten. De mogelijkheid voor over­leden Oud-Drimmelenaren om begraven te worden op het kerkhof wilde de kerkvoogdij wel openlaten.

Doordat Oud-Drimmelen bij Made was gevoegd kon er in Made eindelijk naar behoren een kerkraad en kerk­voogdij worden samengesteld. Bovendien werd de be­heersregeling van de kerk te Made veranderd. In 1856 was de administratie van Made in handen gegeven aan de 3 Drimmelense kerkvoogden en de Madese kerkvoogd J.H. de Zoete.

 

Het ledental van de Hervormde Gemeente te Drimmelen slonk van 385 naar 360.

 

Het opzeggen van de zitplaatsen voor Oud Drimmelenaren in de Drimmelense kerk betekende geen financieel verlies voor de kerkvoogdij. Van de verpachte zitplaatsen stonden er maar 7 op naam van Oud Drimmelenaren, 4 zitplaatsen in de mannenbanken en 3 vrouwen zitplaatsen in het middenvak van de kerk. Er waren bovendien genoeg gegadigden voor de vrijgekomen zitplaatsen.

De zitplaats van Dirk de Bas (nr. 6 C) werd overgenomen door Adam van Rolaff. De zitplaats van Hendrik Spuijbroek (nr 12 B) ging naar Bastiaan Vervoorn en de plaats van Bastiaan Berversluijs ( nr. 12 A) ging naar Adriaan van der Sluijs. Dirk de Bas had nog een zitplaats in pacht (nr. 26 B). Deze ging over op naam van Janus van Loon.

De stoel van Jaapje Beversluijs – Weland ( nr. 72) ging naar Neeltje Vos – Lankhuijzen, die van Pietertje van Diemen – Weland (nr. 82) ging naar een dochter van schoolmeester Blankenbijl en de stoel van Johanna Spuijbroek – Beversluijs (nr. 88) ging naar Bastiana van Loon.

 

In 1860 was de straat in Oud Drimmelen nog redelijk bebouwd met woningen.

Aan de zuidzijde van de vaart was in 1858 het oude schoolhuis (nu nr. 7) afgebroken. Op dit perceel en op enkele percelen, die sinds de brand van 1730 onbebouwd waren gebleven, verrezen 4 nieuwe woningen; de thans bestaande woningen Oud Drimmelen 3,5 en 7. Het vierde huis stond tussen de nummers 3 en 5 in.

 

Hendrik Spuijbroek (1811-1897 woonde in 1860 in het huis nr. 3. Hij was in 1835 gehuwd met Johanna Beversluijs (1813-1875). Het echtpaar kreeg 10 kinderen waarvan er in 1860 nog 5 in leven waren: Bastiaan (1837), Lambert (1845), Hendrik (1847), Elisaeth (1852) en Johanna (1855).

 

Dingeman Musterd (1814-1874) bewoonde het huis Oud Drimmelen 5. Hij was in 1844 gehuwd met Bastiana Beversluijs (1816-1891). Dit echtpaar kreeg 7 kinderen: Cornelis (1845), Bastiaan (1847), Lucia (1848), Elisabeth (1850), Dingeman (1851), Adriana (1853) en Adriaan (1855).

 

Het huis Oud Drimmelen 7 werd bewoond door Bastiaan Beversluijs (1818-1873), die in 1843 gehuwd was met Jacoba Weeland (1814-1890). Dit echtpaar kreeg 4 kinderen, waarvan alleen dochter Elisabeth (1847) nog in leven was.

 

Aan de overzijde van de vaart werd de herberg ’t Zwaantje (nu staat er het huis nr. 8) bewoond door herbergier Willem van Diemen (1812-1884). Hij was in 1842 gehuwd met Pietertje Weeland (1817-1884). Het echtpaar kreeg 2 kinderen waarvan alleen dochter Theodora (1844) in leven was.

 

Het huis “den Prins”, Oud Drimmelen 10, werd bewoond door Dirk de Bas (1808-1871). Hij was in 1834 gehuwd met Maria van Geurs (1816-1846). Uit dit huwelijk waren er 8 kinderen.

In 1847 was Dirk de Bas hertrouwd met Adriana van Geurs, die weduwe was van Jan Musterd.

 

De huizen aan de Buitendijk, onder meer geconcentreerd aan de Korskenssluis, bleven kerkelijk bij Drimmelen behoren. Hier woonde onder meer de families Brouwers, Schram, Meijwaard, Musterd en Rolaff.

 

Louis van Suijlekom.